poort kluis 1 png

 

 

2017flyervoorkant

 

 

"Het dagelijkse leven en smokkel tijdens de Eerste Wereldoorlog"

WE HOUDEN EEN WINTERSTOP

GESLOTEN TOT EN MET 6 APRIL 2018

terug open vanaf 7 April 2018 tot 27 mei 2018

De doodendraad

1 De doodendraad

De doodendraad was een versperring van drie rijen houten palen met metalen draden, waarvan de middelste rij onder elektrische spanning stond. Deze versperring vormde een barrière tussen het door Duitsland bezette België en het neutrale Nederland.

2 De plaatsing

De bewaking van de Nederlandse grens vereiste duizenden Duitse manschappen; die waren echter niet beschikbaar. Daarom besloten de Duitsers in het voorjaar van 1915 tot het oprichten van een elektrische draadversperring, naar een idee van Hauptmann Schütte van de Duitse staf in Brussel. De bouw was goed voorbereid en werd uitgevoerd met de gekende Duitse ‘Gründlichkeit’.

De versperring werd geplaatst langs de hele Nederlands-Belgische grens, maar uiteraard altijd op Belgisch grondgebied, en liep van Knokke tot voorbij het Drielandenpunt bij Vaals.
De doodendraad volgde echter niet altijd de 449,5 km lange rijksgrens maar sneed tal van grilligheden af, waardoor soms grote stukken ‘niemandsland’ tussen draad en grens kwamen te liggen. Een dergelijk gebied werd wel bezet door de Duitsers.

Later werd de draad op een aantal plaatsen dichter naar de grens verlegd. Dit was onder andere het geval in Lozen, Hamont en Achel.
Uiteindelijk zou de totale lengte van de versperring 357 km bedragen.

 

België was tijdens de oorlog opgedeeld in vier administratieve gebieden:
• het frontgebied (Operationsgebiet) of de gevechtszone, net ten oosten van de IJzer en de streek van Ieper, tot ± 25 km van het front;
• het marinegebied (Marinegebiet): het noorden van West-Vlaanderen (kuststrook met Brugge en omliggende gemeenten), onder het gezag van het Marinekorps Flandern (met Brugge als haven voor de U-boten);
• het etappegebied (Etappengebiet) was achter de gevechtszone gelegen en strekte zich uit over de rest van West-Vlaanderen en delen van Oost-Vlaanderen, Henegouwen en Luxemburg. Die zone stond onder streng militair toezicht en omvatte verschillende ondersteunende diensten: ziekenhuizen, lazaretten, administratie, wagenpark en logistieke diensten;
• het Generaal-Gouvernement (Generalgouvernement) omvatte de rest van bezet België;
Het grensgebied (Grenzgebiet) was een streng gecontroleerde strook van zowat 3 km breed langs de grens met Nederland, met daarbinnen nog een voor toegang verboden grensstrook van meestal 30 tot 500 meter vanaf de versperring, Grenzstreifen of Todesstreifen genoemd.
De grote kaart uit 1916 van de draadversperring toont enkel het tracé van Aken tot aan de Schelde, dus binnen het Generaal-Gouvernement.

3 De bouw

Er werd op verschillende plaatsen tegelijk aan de aanleg van de elektrische versperring gewerkt en niet alle stroken waren op hetzelfde moment klaar. Over het algemeen mag men stellen dat de werken ten vroegste begonnen in de late lente van 1915 en duurden tot in de zomer van 1915. Nederland werd op 6 juni van dat jaar door de Duitsers op de hoogte gebracht van de aanleg. In Voeren en in Zeeuws-Vlaanderen was de versperring eind juni of begin juli klaar. Het traject Middelburg(= deelgemeente Maldegem)-Knokke volgde begin augustus.
Om allerlei redenen duurde het soms maanden alvorens er effectief spanning op de draden stond; dat verschilde overigens van plaats tot plaats. In Neerpelt startte de bouw begin juni 1915, waren de werken klaar op 11 juli 1915, maar kwam de draad pas op 22 december 1915 onder spanning. Voor Achel, Sint-Huibrechts-Lille en Lozen waren de data respectievelijk begin juli 1915, begin augustus 1915 en 6 januari 1916.

4 De technische uitvoering

Eerst werd het tracé uitgestippeld door officieren van de grensbewakingstroepen. Er werd rekening gehouden met vennen, moerassen en diverse obstakels, maar niet altijd met woningen op de grens. De bewoners van huizen op of dichtbij het tracé werden meestal uit hun woning gezet.
Soms liep de versperring dwars door een dorp op de grens (zoals in Koewacht, Overslag of Kieldrecht) en werden er muren, schuren en zelfs huizen afgebroken. Elders liep het traject dwars door de velden van de landbouwers die dan een strook van minstens 3 meter of meer moesten vrijmaken.
Het terrein werd ontdaan van struiken, bomen, afrasteringen, enz., waarna de Duitse genietroepen de palen en draden plaatsten. Soms werden plaatselijke arbeiders of krijgsgevangenen opgevorderd om te helpen bij de bouw. Sommigen onder hen kozen bij deze gelegenheid het hazenpad naar Nederland. De meeste materialen werden door de Duitsers aangevoerd, maar palen moesten dikwijls worden geleverd door de betrokken gemeenten zelf, meestal tegen een kleine vergoeding (via mandaten).
Er werden drie rijen palen aangebracht: de middelste rij was deze waarop de spanning stond, de twee buitenste rijen - op 1 tot 3 m of soms wel eens grotere afstand van de middelste - dienden als bescherming, vooral voor de langs de versperring patrouillerende grenswachttroepen.
De palen, meestal uit dennenhout, staken ongeveer 2 meter boven de grond uit en stonden op een onderlinge afstand van 3 tot 5 meter. De palen van de middelste rij werden aan de onderkant geteerd, in de grond geheid en aangestampt. Hieraan werden de porseleinen isolatoren bevestigd, waaraan elektrische draden van 4 tot 6 mm doorsnede werden vastgemaakt. Er werd zowel gladde draad als prikkeldraad gebruikt. Aanvankelijk telde de middelste versperring vijf of zes verzinkte draden, later op sommige plaatsen vermeerderd tot zelfs tien, onderling op zo’n 20 tot 30 centimeter van elkaar geplaatst. De onderste draad werd op 15 tot 20 cm van de grond aangebracht. In functie van het landschap kon het uitzicht van de versperring soms verschillen. Op de elektrische draden stond een spanning van 1.500 tot 2.000 volt. Soms waren ze spanningsloos, bijvoorbeeld bij hevig onweer, na sabotage of gedurende onderhoudswerken.
De twee buitenste versperringen waren meestal minder hoog, minder verzorgd, meestal voorzien van prikkeldraad en met een geringer aantal draden.
Om de 50 tot 80 meter stond een grotere paal van 7 tot 8 meter hoogte, waarop de hoogspanningsleidingen werden aangebracht. De hoogspanning werd aangevoerd vanaf een generator. Deze Speiseleitung of aanvoerleiding volgde verder de elektrische versperring.

Op 500 meter tot 3 km van elkaar werden er schakelhuisjes (Schalthäuser) gebouwd.
Van hieruit kon de versperring worden gecontroleerd: de alarmsystemen en de technische apparatuur voor de grensbewaking werden er in ondergebracht, net als het onderhoudsmateriaal. De Duitsers konden hier de spanning op enkele draden of een deel van de draadversperring in- of uitschakelen.

Het bouwen van de draadversperring was een enorme logistieke uitdaging.
Een ruwe schatting van 350 kilometer versperring met gemiddeld vijf draden aan elk van de drie rijen palen en twee draden aan de hoogspanningslijn geeft een indrukwekkende hoeveelheid benodigde materialen:

  • 6.000 km draad
  • 325.000 korte palen
  • 7.000 hoge palen
  • 540.000 kleine en 14.000 grote porseleinen isolatoren

5. De gevolgen voor de bevolking

Eerst en vooral was er natuurlijk het risico op elektrocutie. De meeste mensen uit de streek waren toen nog niet vertrouwd met elektriciteit. De Duitsers hadden dan ook bij de draad of aan de ingang van de Grenzstreifen bordjes geplaatst met een waarschuwing: ACHTUNG Hochspannung - Lebensgefahr, gevolgd door een Nederlandse vertaling: Hoogspanning - Doodsgevaar. De grensstrook van 30 meter tot de draad was verboden gebied. Dikwijls werd zij uitgebreid tot 100 of 200, of zelfs 500 meter en meer. Alle grensoverschrijdend verkeer was verboden of gebeurde onder strenge Duitse controle, wat zeer hinderlijke gevolgen had op persoonlijk, familiaal en economisch vlak.
In de elektrische versperring waren poorten geplaatst: ofwel Zivildurchläβe, bestemd voor burgers en Duitse militairen, ofwel Militärdurchläβe, alleen bestemd voor Duitse militairen. Deze doorgangen werden streng bewaakt. In sector IV waren er vanaf 1916 drie poorten bestemd voor dubbel gebruik: in Hamont op de weg naar Budel, in Achel-Statie op de weg naar Valkenswaard en in Lommel op de weg naar Luyksgestel. Daarnaast was er op het gehucht Kreyel te Bocholt een Militärdurchlaβ bij schakelhuisje R3.
Om door de poorten te gaan had men een schriftelijke en te betalen toestemming of zogenaamde Passierschein nodig, die bovendien slechts een zeer korte geldigheidsduur had en alleen voor een specifieke doorgang gold. Bij het niet correct naleven van de regels had men een forse boete aan de broek of werd de familie gestraft.
De landbouwers in de grenszone waren helemaal de dupe. De versperring liep dikwijls dwars door hun weiden en velden, waardoor het bewerken ervan moeilijk of soms verboden werd, tenzij mits het verkrijgen van een Schein. Akkers en hooilanden aan de andere kant van de versperring konden slechts bereikt worden na het maken van een vaak zeer grote omweg via de poorten en wanneer men in het bezit was van een Passierschein. In de grensstrook van 30 tot 200 meter voor de versperring (Grenzstreifen) mochten overigens meestal enkel lage gewassen (bieten, aardappelen, enz.) geteeld worden, die alleen door de Duitse soldaten zelf mochten worden geoogst.

Grensarbeiders werden in het begin nog doorgelaten, maar moesten later de keuze maken aan welke zijde van de grens ze wilden verblijven. Vanaf februari 1915 mochten mannen tussen 16 en 45 jaar helemaal niet meer over de grens trekken, zelfs niet met een Passierschein, om te voorkomen dat zij zich bij het Belgische leger aan de IJzer zouden aansluiten.

6. De bewaking

De bewaking van de draad aan de Belgische kant werd uitgevoerd door Duitse soldaten (de Grenzschutztruppen) vooral van de Landsturm, maar ook militairen op rust of met herstelverlof, of door soldaten ongeschikt voor het front.
In de sector Lozen – Lommel, over een totaalafstand van ongeveer 36 km, stonden er 20 schakelhuisjes. Tussen de schakelhuisjes patrouilleerden er voortdurend soldaten langs de draad of stonden er schildwachten. 's Nachts werd de wacht meestal verdubbeld. Aan de Belgische zijde van de versperring werd er een patrouillepad aangelegd dat door de grenswachten werd gebruikt voor het wachtlopen en waarlangs de Duitsers zich eventueel per fiets konden verplaatsen.
Als er verdachte personen werden betrapt in de verboden zone, riepen de soldaten een waarschuwing (‘Halt! Wer da?’). Werd er niet op gereageerd, dan mochten zij onmiddellijk schieten.
Aan de versperring waren soms ook alarmbellen aangebracht. Op sommige plaatsen werden zelfs zoeklichten geïnstalleerd of gebruikte men luchtballons. In de schakelhuisjes waren er verklikkerlampjes die een signaal gaven als er iets mis was aan de versperring.
De schildwachten konden dan zien waar er problemen waren. Dan vertrok er een soldaat per fiets om poolshoogte te nemen. Als er een slachtoffer viel of als er een onregelmatigheid optrad, moest de Betriebsleiter onmiddellijk worden gewaarschuwd. Hij was de enige die de spanning mocht laten uitschakelen.

7. De wijzigingen aan het tracé

De Duitsers hebben het tracé van de draad op verschillende plaatsen gewijzigd, vooral om blijvende problemen van smokkel en spionage in het niemandsland in onze regio tegen de gaan.
In onze regio onderscheidden we vier verschillende bouwfases.
Bouwfase 1: Begin juni 1915 tot 20 september 1916.
De draad werd aangelegd van Bocholt over Lozen en Sint-Huibrechts-Lille naar de Quatre-Bras (Achel) en verder naar de Grote Heide (Neerpelt) en vandaar terug naar het kanaal (bij de zinkfabriek van Overpelt).
Het Maas-Scheldekanaal en de Zuid-Willemsvaart vormden hier natuurlijke grenzen, die men alleen via de bruggen kon overschrijden met een Passierschein en die werden bewaakt door Duitse grenswachten.
Hamont en Achel waren afgesloten van de rest van België.

Sint-Huibrechts-Lille en Bocholt kenden in 1915 een bijzondere situatie:
• Sint-Huibrechts-Lille:
Vermoedelijk was er geen draadversperring in de zone langs het Maas-Scheldekanaal van de Kettingbrug tot aan brug 4 (enkel Duitse patrouilles langs het kanaal). De draad begon vanaf deze brug, volgde hier de weg noordwaarts tot aan de spoorweg (IJzeren Rijn) en niet langs de Warmbeek, zoals getekend op de kaart. De versperring volgde de spoorweg in de richting van het station van Sint-Huibrechts-Lille en boog dan weer noordwaarts af naar de Quatre-Bras.
Op basis van verklaringen van een ooggetuige is de bijzondere situatie in Sint-Huibrechts-Lille overgeleverd.
Legende detail kaart Grenszaun:
1. Kettingbrug
2. Brug 4
3. Station Sint-Huibrechts-Lille
4. Quatre-Bras
5. Zinkfabriek Overpelt
―――― traject doodendraad 1915 in onze regio
―――― traject Kettingbrug tot brug 4, zonder draadversperring (enkel hoogspanningslijn)
―――― traject doodendraad vanaf brug 4 tot IJzeren Rijn (spoorweg)
• Bocholt: zuidwaarts van Bocholt lag de eerste draadversperring in 1915 aan de oostelijke zijde van de Zuid-Willemsvaart. Aan de grens van Beek met Bocholt stak deze het kanaal over en liep langs de grens met Reppel helemaal om Bocholt heen. Ze dwarste de pas aangelegde Kaulillerweg, liep langs de Bosstraat naar het Maas-Scheldekanaal om aan de noordoostelijke oever hiervan verder naar Kaulille te lopen. Hierdoor werd Bocholt volledig afgesneden van de rest van België en werd dit gebied niemandsland.
Het tracé op deze kaart is een benadering. Het steunt niet op officiële documenten maar op getuigenissen.
De redenen van deze heel bijzondere situatie in Bocholt blijven zeer onduidelijk.

Bouwfase 2: Februari (Lozen) / mei 1916 (Hamont) tot 14 augustus 1916
Verlegging van de draad van Lozen (Zuid-Willemsvaart) naar Hamont (grens met Budel), vervolgens verder tot de Achelse Kluis en vandaar naar Neerpelt Grote Heide. Hierdoor kwamen Hamont en Achel terug ten zuiden van de versperring liggen.
De versperring aan de Achelse Kluis werd dwars door de muren van de abdij getrokken.

Bouwfase 3: Juni 1918
Het aanbrengen van een elektrische draadversperring vanaf de grens Hamont / Budel-Schoot naar het station van Hamont en rond het ganse spoorwegemplacement. Dit gebeurde in mei 1918, na een akkoord tussen Duitsland en Nederland, waardoor treinverkeer vanuit Duitsland naar Antwerpen opnieuw mogelijk werd via Budel en Hamont.

Bouwfase 4: Juli 1918
Het verleggen van de draad aan de Achelse Kluis naar het zuiden tot onder de landerijen van de Kluis.
Het nieuwe tracé liep van Achel-Statie naar het kasteel Beverbeek. De draad aan de Kluis werd afgebroken. De Achelse Kluis werd hierdoor volledig afgesloten van de rest van België.

8. Het overschrijden van de grens

Op trajecten waar er geen versperring stond en enkel een rivier of kanaal een natuurlijke hindernis vormde, trachtte men al zwemmend of via duikers onder de waterloop de overkant te bereiken.
Waar er wel een versperring stond, verzon men allerlei technieken om de draad illegaal te passeren.
De meest voorkomende methode was het omkopen van de Duitse grenswachters, die dan op afgesproken uur en plaats de elektrische spanning van de draad tijdelijk uitschakelden. Dit was evenwel niet altijd zonder gevaar omdat de soldaten zich soms niet aan de gemaakte afspraken hielden of zelfs tot arrestaties overgingen.
Daarom werden er ook allerlei andere methoden toegepast, die steeds doeltreffender werden.
Men probeerde het met een (trap)ladder of men sprong zelfs met een polsstok over de draden. In andere gevallen werd er een sleufje onder de onderste draad gegraven, waarna men zich hierdoor naar de andere zijde van de geladen draden wroette. Soms stak men een houten bodemloze bak of ronde ton onder of tussen de draden. Nog veel efficiënter en veiliger was het om een houten fietsvelg tussen de draden te plaatsen. Dikwijls wond men wollen dekens rond de onder elektrische spanning staande draden. Dit werkte alleen wanneer het droog weer was, anders verloor de wol haar isolerend vermogen.

Het was natuurlijk wel heel opvallend als men in de nabijheid van de grens met een ladder, ton of wollen dekens rondliep. Daarom werd er later veel gebruik gemaakt van een geïsoleerd uitklapbaar houten raam dat tussen de eerste en tweede onderste draden werd geplaatst: het passeurskader.

Naarmate de oorlog vorderde kreeg men meer inzicht in de gevaren van elektriciteit en de wijze waarop men er zich kon tegen beschermen. De intergeallieerde inlichtingendiensten in Nederland verschaften de passeurs nieuwe materialen: o.a. rubberen handschoenen, rubberen laarzen en schoenovertrekken, alsook rubberen matten. Een doeltreffende methode bestond erin een grote rubberen mat onder de laagste draad te schuiven, zodat ze aan weerszijden van de draad lag. Zolang men op de mat bleef staan, kon men veilig de draden aanraken. Deze methode werd in Hamont vaak toegepast. De passeurs beschikten over rubberen handschoenen en laarzen en gebruikten vaak geïsoleerde hefboomkniptangen om de draden door te knippen. Dat laatste was erg risicovol want dan ging het alarm af bij de Duitse wacht. Daarom waren deze passeurs bijna altijd gewapend met revolvers.

9. “Slimme” verbouwingen

De Duitsers hebben er alles aan gedaan om de versperring totaal ondoordringbaar te maken.
Hoe vindingrijker de mensen werden bij het overschrijden ervan, hoe efficiënter en driester de Duitsers te werk gingen. Soms werd er een tweede versperring voor de reeds bestaande aangebracht (Stekense vaart, Arendonk) of liep het aantal rijen draad op tot vier (Stekene). In andere gevallen verhoogde men de versperring door het aanbrengen van extra geladen draden aan de middelste rij palen. Zo was er in Hamont eerst sprake van zes draden, later vermeerderd tot acht en uiteindelijk tot negen waaronder een draad op tien cm van de grond.
De draden werden soms verticaal met elkaar verbonden zodat ze niet meer uit elkaar konden worden getrokken en het moeilijk of onmogelijk was om een passeurskader te gebruiken. Een extra paaltje werd in het midden tussen elke twee palen aangebracht, waaraan de onderste draad werd vastgemaakt, zodat hij niet meer kon worden opgelicht met een stuk hout met een mik.

10. Het aantal slachtoffers

Slachtoffers aan de draad vielen ten gevolge van elektrocutie of onder het vuur van de grenswachters. In zijn meest recente tellingen heeft Prof. dr. Alex Vanneste het over meer dan duizend slachtoffers aan de draadversperring. Wij zullen echter wellicht nooit het juiste aantal slachtoffers aan de versperring kennen omdat de meeste Duitse verslagen van de grensbewaking tijdens WO II werden vernietigd. We kunnen enkel terugvallen op de (zeldzame) Belgische berichtgeving, berichten in Nederlandse kranten en tijdschriften uit die periode en de gegevens in gemeentelijke en andere archieven.

Onder het totale aantal slachtoffers telt men 50% Belgen, 25% Duitsers, 10% Nederlanders, 10% Russen en 5% anderen. Hiervan zou 75% omgekomen zijn door elektrocutie en 20% door vuurwapens. Van de overige slachtoffers is de doodsoorzaak niet bekend.

In onze dorpen vielen er tenminste 61 slachtoffers, waarvan 49 gedood werden door elektrocutie (80 %) en 12 werden doodgeschoten aan de draad (20 %). Het ging om 39 Belgen (63%), 12 Duitsers (20%), 6 Nederlanders (10%) en 4 Russen (7%).

Al bij al indrukwekkende cijfers: 1.000 slachtoffers over een totale afstand van 350 km versperring betekenen voor de hele oorlogsperiode bijna 3 personen per km versperring.

11. De afbraak

De doodendraad werd op sommige plaatsen al voor de Wapenstilstand van 11 november 1918 afgebroken. Soms bleef hij nog even overeind, en zelfs onder spanning. Er viel dan ook nog na 11 november hier en daar een slachtoffer te betreuren, waaronder Jan Van Looveren uit Meer (†12-11-1918).

In de meeste gevallen braken de landbouwers de versperring zelf af om hun weilanden terug te kunnen omheinen. Ze hadden immers tijdens de oorlog hun volledige voorraad draad bij de Duitsers moeten inleveren. Elders hielden de gemeenten een openbare verkoop van de draad en de palen.

logosbanner